Tijdens de middeleeuwen ontstond de gewoonte dat gelovigen met Kerstmis een Jezuspop wiegen tijdens het zingen van kerstliedjes. De minderbroeder-volksprediker Jan Brugman schreef dat de gelovige die Jezus waarlijk bemint, het Kerstkind zal verzorgen als een moeder. In het anoniem boekje ‘Van die gheestelike kintscheyt Jhesu’, dat in 1488 in Antwerpen verscheen, werd beschreven hoe men het kindje Jezus moest baden, een luier aandoen, voeden, wiegen en laten spelen.

zusters recollectinen, Assesse
Ook in kloosters, vooral bij zustergemeenschappen, bestond dit ritueel. Het houten Christuspopje werd door de zusters gekleed en gewiegd in een kerstwiegje. Dit wiegje stond symbool voor het hart van de gelovigen. In de kersttijd werd het opgesteld in het kerkkoor. Onder het zingen van kerstliederen kwamen de zusters naar voren om beurtelings aan het touwtje te trekken zodat het wiegje kon schommelen. Via dit ritueel konden de zusters hun moederlijke gevoelens kwijt.
